Een recent arrest van het Hof van Cassatie bevestigt dat de feitelijke machtshiërarchie doorslaggevend is bij een fout, in dit geval de fout van een vroedvrouw bij een bevalling. Draait het ziekenhuis hiervoor op of de gynaecoloog? Centraal hierbij staat het begrip ‘aanstellersaansprakelijkheid’. Dat begrip geldt ook in de relatie arts-verpleegkundige.
De casus: er wordt een kind met een zware handicap geboren in een ziekenhuis. Een vroedvrouw - in loondienst van het ziekenhuis - maakt tijdens de bevalling ernstige fouten. Ze dient op eigen initiatief een zware overdosis oxytocine toe. Ze verwisselt het infuus met een sterkere dosis op het moment dat de gynaecoloog het ziekenhuis heeft verlaten. Bij duidelijke verwikkelingen laat ze na om de arts tijdig op te roepen.
Er ontstaat een juridisch gevecht tussen de verzekeraar van het ziekenhuis en die van de arts. De verzekeraar van het ziekenhuis argumenteert dat de gynaecoloog (en diens verzekeraar) als aansteller aansprakelijk is. En wel omdat de vroedvrouw op dat moment zou handelen onder de concrete leiding en het toezicht van de arts.
Cassatie verwerpt het cassatieberoep van het ziekenhuis. Het hof meent dat men voor de aanstellersaansprakelijkheid moet bekijken wiens gezag er speelde op het precieze moment van de feiten. Omdat de vroedvrouw handelde zonder medeweten van de afwezige arts en zelfstandig de medicatie aanpaste, stond ze toen niet onder het toezicht van de arts, waardoor het ziekenhuis aansprakelijk blijft. Het wordt daarnaast veroordeeld tot betalen van de gerechtskosten (1.289,86 euro).
Opvolgingsinstructies
Mr. Christophe Lemmens (Dewallens & partners): “Dit bevestigt dat de feitelijke machtshiërarchie de doorslag geeft voor de juridische gevolgen. Een aansteller - de persoon op het bovenste trapje - is aansprakelijk voor de fouten van zijn aangestelde. De aanstellersaansprakelijkheid veronderstelt een band van ondergeschiktheid. De vroedvrouw sloot een arbeidsovereenkomst met het ziekenhuis, niet met de arts. Maar in dit geval draait het om de vraag wie op het moment van de fout de feitelijke mogelijkheid had om gezag en toezicht uit te oefenen.”
Of de arts dat niet moest doen? “De verzekeraar van het ziekenhuis probeerde inderdaad om de schade te verhalen op de arts. Die kan onder specifieke omstandigheden -zoals bij een operatie- als gelegenheidsaansteller fungeren. Maar de arts was afwezig en de vroedvrouw handelde op eigen initiatief buiten haar bevoegdheid door medicatie (oxytocine) toe te dienen. De feitelijke controle lag hier bij het ziekenhuis. De arts beging wel een eigen fout door te vertrekken zonder opvolgingsinstructies achter te laten.”
Meester Lemmens adviseert dan ook om duidelijke protocollen en instructies schriftelijk vast te leggen in het patiëntendossier, wil je als arts de risico's beperken bij afwezigheid. “Formuleer instructies expliciet en controleerbaar: spreek helder af met vroedvrouwen en verpleegkundigen over de patiëntenopvolging. Realiseer u dat u als arts juridisch als aansteller (principaal) aangemerkt kunt worden voor hun fouten, zelfs als er geen arbeidsovereenkomst tussen u en die zorgverlener bestaat. En verder: streef naar een eenduidige verzekeringsparaplu. Daarom kiezen sommige ziekenhuizen ervoor om de ziekenhuis- en artsenpolis bij dezelfde verzekeraar af te sluiten. Informeer bij uw medische raad of artsenvereniging naar de mogelijkheid van een groepspolis met dezelfde verzekeraar als het ziekenhuis (artsen in loondienst of statutairen vallen doorgaans automatisch onder de ziekenhuispolis).
Dit geval illustreert ook het belang van een goed bewaakte zorgkwaliteit en -continuïteit, conform de Kwaliteitswet. Het onderscheid tussen 'bevoegdheid' en 'bekwaamheid' is daarbij essentieel. Bevoegdheid is gebaseerd op het wettelijke diploma, maar soms volstaat een diploma niet als de feitelijke bekwaamheid ontbreekt.
Prof. dr. Lemmens licht de Kwaliteitswet nog eens toe op een webinar op vrijdag 9 oktober.
> Inschrijven kan hier







